Beide ouders zijn krachtens artikel 203 § 1 van het Burgerlijk Wetboek aan hun minderjarige of studerende kinderen levensonderhoud, opvoeding, en een passende opleiding verschuldigd, tot hun opleiding voltooid is.
Ze dienen bij te dragen naar evenredigheid van hun middelen.
Deze verplichting raakt de openbare orde en bestaat krachtens de wet zelf (obligatio).
De onderlinge bijdrage (contributio) mogen partijen zelf bepalen en bij gebrek aan overeenkomst zal de rechter de passende bijdrage bepalen op basis van de juiste cijfergegevens die partijen over hun financiële toestand en levensonderhoud van hun kinderen voorleggen.
Er dient evenwel in aanmerking te worden genomen dat elke scheiding bijkomende kosten meebrengt.
Onder buitengewone kosten dient overeenkomstig artikel 203 bis § 3 van het Burgerlijk Wetboek te worden verstaan “de uitzonderlijke, noodzakelijke of onvoorzienbare uitgaven die voortvloeien uit toevallige of ongewone gebeurtenissen en die het gebruikelijk budget van het dagdagelijks onderhoud overschrijden.
In het kader van de wet van 19 maart 2010 ter bevordering van een objectieve berekening van de kinderalimentatie dient de rechtbank de nodige gegevens van partijen te verkrijgen teneinde bij betwisting over het bedrag de begrotingsmethode aan te geven en uit te leggen, toegepast op de concrete gegevens van het dossier (Patrick Seynaeve, de wet van 19 maart 2010, nr. 102).
Dit aan de hand van volgende parameters:
1.De aard en het bedrag van de middelen van elk van de ouders;
2.De gewone kosten waaruit het budget van het kind is samengesteld alsook de manier waarop ze begroot zijn;
3.De aard van de buitengewone kosten die in acht genomen kunnen worden, het deel van deze kosten dat elke ouder voor zijn rekening dient te nemen;
4.De verblijfsregeling van het kind en de bijdrage in natura van elk van de ouders in het levensonderhoud van het kind ten gevolge van deze verblijfsregeling;
5.Het bedrag van de kinderbijslag en van de sociale en fiscale voordelen van alle aard die elk van de ouders voor het kind ontvangt;
6.De inkomsten die elk van de ouders ontvangt in voorkomend geval uit het genot van de goederen van het kind;
7.Het aandeel van elk van de ouders in de tenlasteneming van de kosten voortvloeiend uit artikel 203 § 1 Burgerlijk wetboek en de daarop eventueel vastgestelde onderhoudsbijdrage, evenals de modaliteiten voor de aanpassing ervan op grond van artikel 203 quater van het Burgerlijk Wetboek;
8.De bijzondere omstandigheden van de zaak.
De rechter dient derhalve in het bezit te worden gesteld van alle relevante gegevens, die partijen hem dienen aan te leveren, middels adequate bewijsstukken.